Jacqueline Berg

Lezing 2 – The Magic Medicine of Love – De genezende kracht van zelfacceptatie

Symposium The magic medicine of love – 1992 VU Amsterdam

De Genezende Kracht van Zelfacceptatie, lezing door Jacqueline Berg (journalist en oprichter Werkgroep Spirituele Gezondheid)

 

Gekwetst

De oude vrouw in het bed naast me beantwoordt gewillig de vele vragen van de assistent-arts: wanneer ze voor het laatst hartklachten kreeg; of ze al eerder last had van een stekende pijn in haar borst; heeft ze soms te hoge bloeddruk? De hele afdeling luistert mee. De vrouw vertelt haar verhaal: hoe ze op een ochtend in de toilet wegviel en op de harde stenen vloer terecht kwam. Ze stroopt de nauwe mouw van haar gestreepte nachthemd omhoog.

We zien allemaal de dieprode bloeduitstortingen op haar arm en voelen in stilte met haar mee.

Na een kleine vijfentwintig minuten weten we precies wie Mevrouw Gekwetst is, welke ziekten er in haar familie voorkomen, wat haar ontlastingspatroon is en welke medicijnen ze slikt. In gedachten wens ik haar welkom. Als de arts op het punt staat om te vertrekken, zegt ze plotseling luid en duidelijk: ‘weet u dokter, het komt door het overlijden van mijn echtgenoot vorig jaar. Sinds die tijd ben ik niet meer gelukkig geweest.’

Nu wordt het interessant, denk ik. Maar het vurig verlangde antwoord van de jonge dokter blijft uit. Hij wenst haar een prettig verblijf in het ziekenhuis en snelt weg. Gevlucht voor gevoelens, vermoed ik.

 

Doodsbang

De vrouw aan de overkant spreekt geen Nederlands. Ze gebaart met haar hand dat haar borst pijn doet. Haar gezicht, nagenoeg verborgen onder een sjaal, kijkt angstig. Zonder woorden probeer ik haar gerust te stellen.

Ik druk de knop naast mijn bed in om iemand te waarschuwen. ‘Ze heeft pijn’, vertel ik de zuster terwijl ik naar de overkant wijs. Non-verbale communicatie lijkt niet eenvoudig. Er wordt een schoonmaker geroepen die in het Marokkaans tegen Berber vrouw spreekt. De man schreeuwt zo hard dat het lijkt alsof hij ruzie staat te maken. Uiteindelijk haalt hij zijn schouders op, trekt een betekenisvol gezicht tegen de verpleegster en vertrekt, ons achterlatend in een donker wolk agressie.

 

Afdeling Cardiologie.

Ze geven de vrouw het zoveelste pilletje voor onder haar tong. Gelaten laat ze het smelten. Ze zakt weg in haar kussen en kijkt me aan. Ik knik begrijpend. Iedereen hier heeft pijn en is doodsbang.

Pijn

Naast het raam ligt een oude vrouw die bijna stikt. Enkele keren per dag stopt ze een apparaat in haar mond dat de verpleger grappend haar vredespijp noemt. Met haar vette grijze ongekamde haar dat rechtop op haar hoofd staat, en de grote wolken stoom die uit haar mond komen, heeft ze inderdaad wel wat weg van een indianenopperhoofd. Ze heeft pijn in haar buik maar kan niet ontlasten.

‘Pijn’, zegt ze. Iedereen klinkt begrijpend. Iemand zegt tegen haar: ‘dat lijkt me niet prettig.’ Maar de oude vrouw ziet of hoort niets – doof en bijna blind – en herhaalt haar opmerking: ‘Pijn’. De vrouw in het bed naast me haalt diepgaand adem en schreeuwt met een hoge, pieperige stem: ‘Vervelend’. ‘Wat zegt u?’ mompelt de vrouw. Ver-ve-lend!

‘Ik begrijp u niet’, zegt de oude vrouw gelaten. Een paar uur later, als ons avondeten net is binnengebracht, krijgt ze kramp en wil ze het wel proberen. Ze wordt op de pot naast haar bed gezet en terwijl wij genieten van onze bonen-tomatenschotel, perst zij met veel moeite de versteende resten uit haar darmen. Gemengde gevoelens op de afdeling.

 

Niet slapen

In de andere hoek ligt een oude vrouw die flarden van vergeetachtigheid heeft en per ongeluk in de nachtkastjes van haar kamergenoten rommelt. Vooral ’s nachts. Dan wandelt ze rond met de bril van Mevrouw Gekwetst op en het kussen van mijn buurvrouw onder haar arm.

Omdat ik niet kan slapen, laat ze mijn spullen met rust. Ik zie haar ronddwalen in de gang. Ze wordt teruggebracht aan de arm van een verpleegster. De vijfde keer al vannacht.

 

Appeltaart met slagroom

Ik ben doodmoe maar ik kan me niet ontspannen. Ik wil naar huis, maar voel me te ziek. Wat heb ik eigenlijk? De cardioloog stelt een looptest voor om zodoende te bevestigen dat mijn hart zelf niets mankeert. Wat ik dan wèl heb? ‘Geen idee, het lijkt in ieder geval niet uw hart. Is dat niet fijn?’

Ze vragen of ik zelf kan lopen naar revalidatie. Ik antwoord naar waarheid: ‘Nee’. Ik zie ze denken – zo’n jonge vrouw! Uiteindelijk sturen ze iemand met een rolstoel. Ze zijn verbaasd dat ik zittend arriveer om een looptest te doen. Ik ook.

Er wordt heen en weer gebeld. ‘Toch maar doen, anders mag ze niet naar huis.’ Ik voel me hondsberoerd. ‘We voeren het tempo langzaam op en dan is het op het laatst alsof u een berg oprent.’ Als ik had kunnen rennen, was ik weggehold.

Maar ik ben te moe. Voordat ik het goed en wel besef, sta ik op een lopende band met vastgelijmde slangetjes op mijn borst. ‘Wíj eten gewoon even door,’ grapt de assistente terwijl ze haar tanden in een groot stuk appeltaart met slagroom zet.

‘Ik ben nu wel èrg moe,’ laat ik na tien minuten en drie versnellingen hoger weten, maar al met al duurt het nog vijf minuten voordat ik verlost wordt uit deze boze droom. ‘Ziet er prima uit,’ roept de fysiotherapeut opgewekt. Of ik zelf naar boven – 3 verdiepingen – kan lopen. ‘Nee’, zeg ik, terwijl ik tollend in de rolstoel val. Ik heb het gevoel alsof mijn hoofd uit elkaar springt, alsof al mijn aderen knappen. Ik voel me zieker dan ooit, maar ik mag naar huis. Is dat niet fijn?

 

Oponthoud

Diverse keren in mijn leven klopte ziekte aan mijn deur, maar ik kan niet zeggen dat ik haar altijd even gastvrij welkom heb geheten. We waren bepaald geen goede maatjes. Ziekte was voor mij hetzelfde als een nederlaag, een noodlot dat mij onverwachts trof. Een lijden zonder enige betekenis. Een ongewenst oponthoud. De vijand van geluk.

Na een lange ziekte op jonge leeftijd heb ik mezelf beloofd om nooit meer ziek te zullen worden. Daar heb ik me twintig jaar aan kunnen houden. Door heel voorzichtig en verstandig te leven en zo de ziekte vóór te zijn. En door vooral niets aan het toeval over te laten.

Om ziekte betekenis te kunnen geven, heb ik veel gelezen en nagedacht. Ziekte lijkt soms het een middel om aandacht of liefde te krijgen, hoewel dat in de praktijk behoorlijk tegenvalt. Soms is het een tijdelijke vlucht, een laatste excuus om – lang of kort – de boel de boel te laten en even op adem te komen.

Soms is het een manier om legaal tijd te creëren om bepaalde dingen waar je niet aan toe bent gekomen, alsnog te verwerken. Soms moeten verwerkte zaken van het mensenleven eenvoudigweg worden afgevoerd middels het lichaam: Resten verdriet, teleurstellingen of onvervulde idealen. Het is als schoon schip maken met je verleden.

Als je ziekte op zo’n manier bekijkt, lijkt het makkelijker te hanteren. Minder eng.

Maar vriendschap sluiten met je aarsvijand, dat is een heel ander verhaal.

 

Overdreven

Ziek, bang, pijn. Het advies van de huisarts: ‘Met de ambulance naar de Eerste Hulp.’ ‘Alweer?’ protesteer ik. ‘Ja, je kunt het niet zeker weten’. Met hun grote zwarte schoenen stampen ze mijn slaapkamer weer binnen. Ze sprayen kort onder mijn tong. En nog een keer. Ze twijfelen.

‘Meenemen of niet?’ vragen ze elkaar, alsof het een partij voordelige goederen betreft. ‘Laat maar doen’.

Of ik zelf even naar de voordeur kan lopen, dan hoeven ze de brancard niet naar binnen te sjouwen. Bereidwillig als altijd sta ik op en word op de stoep, ten overstaan van de hele buurt, zittend vastgegespt. Wéér al die vragen. Nog twee keer sprayen. ‘Baat het niet, dan schaadt het niet,’ is het motief.

Op de Eerste Hulp word ik afgeleverd met de woorden: ‘We hebben hier een mevrouw, een bekende van jullie, met een nogal tegenstrijdig verhaal. Wij weten het niet.’

In de bijna 45 minuten die ik lig te wachten om ‘gezien’ te worden, hoor ik uitvoerig en voorzien van commentaar het gehele dossier van een seropositieve jongen, de behandeling van de man in het hokje naast me die met rollerskating zijn arm heeft verrekt en een gesprek over mezelf.

Voor de zoveelste keer in mijn leven, schaam ik me dat ik niet gewoon een been heb gebroken of een gat in mijn hoofd ben gevallen. Of desnoods een dolksteek in mijn zij heb gekregen. Waarom nu uitgerekend een gebroken hart?

Een bevriend radiomaker die een programma maakt over mensen die plotseling in een inrichting worden opgenomen, stelt me later gerust: ‘Bij jou is het tenminste nog lichamelijk. Hoe denk je dat het is om alleen maar gees-te-lijk ziek te zijn.’

 

Betekenis

Als je ziek bent, lijkt alles ineens betekenis te krijgen. Wie, wat, wanneer van zich laat horen. Hoe oppervlakkig óf onverwacht diepgaand een beterschapwens is. Hoeveel iemand van je kan hebben of juist in paniek raakt en wegvlucht van de situatie.

Het lijkt alsof je door alles heen kunt kijken: De vriendelijke gecamoufleerde ongeïnteresseerdheid, de netjes bedekte angst of de beschaafd gebrachte afkeer van zieke mensen.

Maar ook je eigen gespletenheid wordt zichtbaar.

Aan de ene kant wil je onvervalste aandacht en liefde, je bent toch ziek! En je registreert nauwkeurig hoezeer iemand haast heeft om weg te komen als het gesprek te gevoelig wordt.

Aan de andere kant schrik je je dood als ze een stoel willen pakken om even ‘gezellig bij je te komen zitten.’ Dan zou je als een grote kat je rug willen bollen en sssssh willen sissen. Wegwezen! Zelfs als je ziek bent, ben je nog niet veilig voor die mensen die alsmaar over andermans grenzen heen gaan en die zonder toestemming bezit nemen van jouw leven.

 

Hoe gaat het?

ijk wil je niets meer van de wereld weten, geen krant meer lezen – wat een weelde! -, maar als je merkt dat ze iets voor je achterhouden, heb je onmiddellijk het gevoel dat je nergens meer bij hoort. Ziek, en dus gedevalueerd.

Je hebt sowieso al het idee dat niemand je begrijpt of respecteert.

Als ze je vragen, ‘hoe gaat het?’ betekent dat: ‘hoe gaat het met je lichaam?’, of ‘wat heeft de dokter gezegd?’ Nauwelijks iemand vraagt: ‘Hoe gaat het met jou?’ Maar hebben ze een keer de euvele moed om het te vragen, dan denk je, ‘waar bemoei jij je mee’.

Als je eenmaal door je eerste schrik, je tweede verontwaardiging en je derde boosheid heen bent en je je ziekzijn hebt kunnen accepteren, dan word je pas echt goed ziek.

 

Rododendron

Vanuit mijn kamer zie ik dat de lila rododendron bloeit. ‘Fijn’ denk ik ‘voor de rododendron.’ ‘Maar ook voor jou’, zeggen ze, ‘zoiets moois maakt toch beter.’ Ik kijk in de spiegel en zie iemand die ik niet ken. Twee wijdopengesperde ogen zonder essentie kijken me aan. Wie is die vrouw? Alles lijkt mis met haar te zijn. Volledig uit balans.

Ik ben mezelf kwijt geraakt en ga in bed liggen met mijn handen op mijn borst. Alsof ik mijn gevoelswereld wil koesteren en beschermen, wil strelen en geruststellen. ‘Rustig aan, lief hart’, zeg ik, ‘ik zal naar je luisteren. Ik heb de tijd.’

Het duurt enkele maanden voordat ik ze kan onderscheiden: Het gebroken hart, het verbitterde hart, het valse hart, het jaloerse hart, het kritische hart, het bekrompen hart, het wraakzuchtige hart, het opofferende hart, het weke hart, het wrokkige hart, het vertrapte hart, het onbegrepen hart en het gekwetste kinderhart.

Het duurt nog veel langer voordat ik de censuur van mijn eigen tirannieke geest herken, die zonder iets te overleggen, als een strak korset mijn gevoelens de adem beneemt.

Niet dat ik ooit bewust heb gewerkt aan het breken van mijn hart, maar heimelijk hoopte ik toch vaak op een doorbraak in mijn gevoelswereld. Op totale transformatie. Een blijvend diepgaand voelen. Op werkelijk ervaren. Op echtheid.

 

Yes Sir!

De goedbedoelde wens van mijn bezoek om gauw weer beter te worden brengt me in conflict met mijn verlangen om nu eens echt ziek te zijn. Om alles los te laten waar ik zo lang vanaf wilde. ‘Laat me toch gewoon ziek zijn’, snauw ik de argeloze bezoeker af.

Waarom wil iedereen je toch snel béter hebben? Waarom schrijft er niet eens iemand een kaartje met: geniet maar lekker van je ziekzijn, of: blijf maar ziek zolang je dat wilt, zodat ik eindelijk eens kan ontspannen en niet het meteen het gevoel heb dat ik weer een prestatie moet leveren? Namelijk genezen, en snel. Of, een les leren, en snel. Wat een pijnlijke brief die mij vertelt met een ondertoon van ingehouden boosheid en beschuldiging, ‘dat ik nu toch maar eens moet re-flec-te-ren, le-ren en trans-for-me-ren!’ Yes Sir, tot uw orders.

Ik heb geleerd dat ziek worden iets anders is dan ziek zijn, en weer iets heel anders dan beter worden. Deze processen hebben elk hun eigen tijd, energie en gevoel. Net als de verschillende jaargetijden. Je hebt tijd nodig om aan je ziekte te wennen en haar te herbergen. Een plek te geven.

Genezen is als een golfbeweging, waarbij de terugval ook positief kan zijn. Misschien zelfs wel van ongekend belang is.

Eerst heb ik mijn ziekte tegengehouden, daarna met haar gestreden om tenslotte de witte vlag te hijsen en me volledig door haar te laten overmeesteren. Pas toen kwam er rust. Acceptatie.

 

Afvloeien

Als je lichaam niets meer kan, je geest zich overgeeft en je hart gaat spreken, dan maak je weer kennis met jezelf. Het is niet direct een romantische ontmoeting, hartstochtelijk en gepassioneerd. Geen liefde op het eerste gezicht. Het is alsof je iemand tegenkomt die je vaag blijkt te kennen. Je pijnigt je hersenen: Wie is dat ook alweer?

Al heel snel besta je voor de buitenwereld niet meer. Eerst zijn ze geschrokken – jij zo ziek? – daarna verbaasd – hoe kan het, je leeft toch zo gezond? – en tenslotte – goh, nòg ziek, lange geschiedenis zeg. Niet kunnen werken, wat vervelend. Och goh!

Als mijn werkgever een keer polshoogte komt nemen, is het eerste wat hij zegt: ‘Je ziet er goed uit,’ terwijl ik bijna door mijn knieën zak en nauwelijks kan praten. Al gauw blijkt dat hij wil dat ik blijf doorwerken, zoals ik immers altijd heb gedaan. ‘Al doe je het maar langzaam, zoveel als je aankunt.’ Vlak voordat hij weggaat, zegt hij dat het mogelijk is dat ons bedrijf wordt overgenomen en dat ik dan zal afvloeien. ‘Afvloeien?’ ‘Ja, afvloeien!’ Maatschappelijk uitgerangeerd, sociaal verdacht, lichamelijk gebroken, geestelijk gesluierd, blijft er alleen nog maar gevoel over.

 

Twee plastic zakjes

Als de dokter die vroege ochtend komt, vindt ze een hart in mijn bed. Groot, overgevoelig en onrustig. Maar ze praat tegen me alsof ik een patiënt ben met hyperventilatie. Ze vraagt om twee plastic zakjes. Ik voel de bui al hangen. Het ene zakje gebruikt ze om mij vóór te doen hoe een mens in ademnood moet handelen, het andere is voor mij om het ná te doen.

Ik kijk naar haar als naar een film en denk: wat gek, zo’n vreemde ietwat gespannen vrouw die daar ‘s morgens om 6 uur naast m’n bed in een plastic zakje zit te hijgen. Ik weet dat ik het mijne nooit zal gebruiken, dit hart heeft namelijk geen hyperventilatie, maar pijn.

Ik vraag haar om valium. Na bijna vijftig slapeloze dagen en nachten, zou ik weleens willen ontspannen. Ze geeft me een behoorlijke dosis, maar het werkt niet. Er is blijkbaar iets waarvoor ik mijn ogen niet meer mag sluiten.

 

Bevrijding

Ik wil me graag ergens aan kunnen vasthouden, al is het maar een hand. Maar ik krijg les in loslaten. Het lijkt zelfs belangrijk om de hoop tijdelijk op te geven, omdat dat ook een verwachting is die verstikkend kan werken. Het begint wel verdacht veel op moord met voorbedachte rade te lijken. Moet er hier soms iemand levend sterven?

Wat wil je eigenlijk van me? vraag ik een denkbeeldig iemand. In gedachten hoor ik zeggen: wat wil jij? Wekenlang inventariseer ik mijn verlangens. en uiteindelijk spreek ik de magische woorden: ‘Doet u mij maar liefde alstublieft.’

Een paar dagen later, het is de eerste lentedag, vindt er een explosie plaats in mijn borst. Het is alsof mijn hart ontploft. Een bijna gewelddadige ervaring, maar daarna een ongekende rust. Bevrijding. Er is zeker tien centimeter ruimte in mijn borstkas bijgekomen. Het lijkt alsof een veel te strak elastiek is geknapt. Voorzichtig begin ik te ademen, alsof ik dat voor het eerst doe. Ik ervaar de diepe stilte na een hevige storm.

 

Liefde

Op een kladblok schrijf ik een Ode aan De Liefde.

Liefde. Nooit heb ik Je kunnen vergeten. Geloof me, ik ben Je altijd trouw geweest, Omdat Jij mij voedt en kracht geeft om te leven. Je bent de energie waarmee ik besta. Ik zal je altijd verdedigen en voor Je opkomen zolang als ik leef. En nooit, nooit, nooit zal ik met minder dan met Jou genoegen nemen.

Als we samen zijn, zal ik alle leugens over Jou herkennen en vriendelijk voor de eer bedanken. Kom weer in mijn leven Liefde, Je bent van mij. Om Jou hoef ik niet te vragen, laat staan te bedelen.

Jij vult de bodemloze put, het eindeloze verlangen. Je troost me en stilt mijn diep verdriet. Liefde. Onschuldige Liefde.

Als er iemand schuld zou hebben, dan wil ik deze graag bekennen. Tegen al Je regels in heb ik jou opgeëist en afgedwongen. De angst om Jou te verliezen, zorgde dat ik Je verloor. Liefde, ik heb Je lief.’

 

Vergeving

Hel en hemel wisselen elkaar af. Soms heb ik het gevoel dat ik me op een mijnenveld bevind, soms zweef ik weg op een wolk van licht. Dan streel ik en heel ik mijn pijnlijke hart. Met vergeving en verzoening begin ik wrok en woede te verwijderen. Ik kom tot rust. In stilte vind ik mezelf terug. Ik kom bij lang verloren gevoelens en ideeën. Bij eigenliefde. Zelfrespect.

Zonder gevaar voor eigen leven, laat ik langzaam maar zeker de volgende laag los: De aangeprate gêne over eigenliefde.

Ik zal het niemand zeggen dat ik aan de beterende hand ben. Want ik weet zeker dat ze dan zullen denken dat ik snel weer ‘de oude’ zal zijn. Maar gelukkig word ik nooit meer ‘de oude’. En van die gedachte knap ik werkelijk op.